Trio Las Sombras

Kijk eens hoe ze opkwamen in de jaren vijftig. Gesoigneerd, er gaat nog net geen gordijn open. De zanger en sologitarist kruisen elkaar voor het lied wordt ingezet. Terwijl de zanger zich met een toen nog straffeloze macho mime tot een denkbeeldige schone dame wendt, tovert de sologitarist de brutaalste riedels uit zijn gitaar. Het is vooral hij die mijn aandacht trekt. Hij speelt zo gemakkelijk dat ik er bijna om moet lachen. Als deze muziek door de radio klonk, dan kreeg ik heimwee naar een land waar ik nooit geweest was. Ik beschreef dat in mijn roman Het verloren lied. Ik zag dit trio nooit op de Nederlandse televisie, ik weet zelfs niet zeker of ik ze ooit wel op de radio hoorde. Het moet haast wel. Ik begroet de heren met een glimlach van herkenning. Ze doen me nu vreemd genoeg denken aan die roman die ik schreef. Zijn ze dood nu? Of heel erg oud? Negen gedaantenverwisselingen onderging het trio in zijn roemruchte bestaan.

Work in progress

alfred birney alfred birney de dubieuzen Dit is een snapshot met een iPhone 4 van de achtste versie van mijn aanstaande roman, vers uitgeprint op 500 A4’tjes 70 grams papier, lettertype Calibri, regelafstand 1,5 – om kort te gaan: 197.642 woorden. Dat is een pak papier goed voor een paperback van 600 – 700 bladzijden. Zo’n dikke pil schreef ik nooit eerder.

Mijn dikste boek tot nu toe was Het verloren lied, een roman van ongeveer 80.000 woorden, goed voor een paperback van 320 bladzijden. Mijn dunste boek is de novelle Rivier de Lossie, in manuscript 21.501 woorden. Afgerond is mijn dunste boek dus 20.000 woorden lang en dit manuscript, dat ik hier op schoot heb, bijna tienmaal dikker met zo’n 200.000 woorden.

In een dun boek moet elke bladzijde goed zijn, je hebt eenvoudig geen tijd om een aantal zwakke bladzijden goed te maken. Met een dik boek heb je meer speling, je kunt jezelf wel wat minder sterk geschreven bladzijden veroorloven. Dat weet elke schrijver. Maar dan moet het wel een boek zijn met een sterk verhaal, anders smijten verwende lezers het in de hoek. Toevallig houd ik van verwende lezers. Ik streef ernaar waar mogelijk flink te schrappen.

Ik schrijf mijn boeken meestal in tien versies. Met deze vijfde versie op schoot heb ik geprobeerd het te lezen zoals een lezer dat doet, dus zonder potlood erbij. Dat is al een hele kunst: net doen alsof je alles voor het eerst leest. Fouten liet ik staan, ik keek alleen naar de voortgang van het verhaal. Aantekeningen maakte ik niet. De compositie is goed, denk ik.

Ik zou niet weten hoelang ik precies aan dit enorme boek heb gewerkt. Er staan herschreven stukken in die tot twaalf jaar terug gaan. Een intussen gefictionaliseerd, soms hilarisch interview met mijn moeder plus een lading informatie uit de memoires van mijn vader gaan zelfs terug tot 1985. Ik ben aan dit manuscript begonnen direct na de publicatie van mijn essay De dubieuzen in 2012. Hier ligt dus het resultaat van twee jaar hard en intensief ‘s nachts in afzondering werken. Het boek wordt min of meer al aangekondigd in VPRO Brandts met Boeken, zie link onderaan.

Intussen ligt het bij twee proeflezers: Herman Keppy, journalist en schrijver, en Esther Wils, duizendpoot, onder meer ex-eindredacteur van literair tijdschrift De Gids. Herman Keppy is enthousiast en volgens hem zijn er maar een paar wijzigingen nodig. Esther Wils, strenger, is nog niet helemaal klaar. Beiden hebben momenteel hun handen vol aan een tentoonstelling over Rogi Wieg, dus dat wordt wachten tot eind januari. Intussen vermaak ik me met het opzetten van een website voor de schilder Maria Neefjes.

Franse aandacht voor Nederlandstalige postkoloniale literatuur

le banian Le Banian, het literair-cultureel kwartaaltijdschrift van De Association franco-indonésienne Pasar Malam, gevestigd in Parijs, heeft op 7 december jl. zijn special over de postkoloniale literatuur in Nederland gelanceerd met een feestje op de Indonesische ambassade in Parijs. Er is een jaar lang onder de bezielende leiding van Johanna Lederer hard aan gewerkt door onder meer Dorien Kouijzer en vertaalster Anita Concas, met een financiële ondersteuning van het Nederlands Letterenfonds.

Mij was gevraagd een inleiding te schrijven, Adriaan van Dis het nawoord, terwijl de spekkoek wordt gevuld met stukken van Lizzy van Leeuwen, Marion Bloem, Ernst Jansz, Herman Keppy, Frans Lopulalan, Betty Roos en Jill Stolk. Ook van Adriaan van Dis en mij (uit Rivier de Brantas) zijn prozafragmenten opgenomen.

Indonesische bijdragen komen van Sitor Situmorang (Harianboho, 2 okt 1923 – Apeldoorn, 21 december 2014) en Sobron Aidit (Belitung, 1934 – Parijs, 2007). Het mooie tijdschrift in boekvorm wordt aangevuld met recensies en artikelen. Het nummer kost € 12,- excl. verzendkosten.

Belangstellenden voor de bundel verwijs ik naar de pagina van de De Association franco-indonésienne Pasar Malam voor een volledige inhoudsopgave. Adriaan van Dis en ik zijn al jaren lid van deze club en nieuwe leden zijn altijd welkom. Voor maar € 25,- per jaar steun je de Association franco-indonésienne Pasar Malam en daarmee de Franse aandacht voor Indonesische en Indische kunstvormen. Er worden regelmatig bijeenkomsten georganiseerd etc. Een mailtje sturen aan Johanna Lederer via de site is genoeg. Zij is overigens meertalig… (Indonesisch, Nederlands, Frans, Engels).

*** Vlak na het schrijven van deze post las ik dat Sitor Situmorang vandaag stierf in Apeldoorn. Hij was geboren in Harianboho, Noord Tapanuli, Noord Sumatra, op 2 oktober 1923 en woonde met zijn Nederlandse vrouw in Apeldoorn.***